".......En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat...." (Deut. 11:19)
Opa en Joël zitten in de avondschemering voor hun tent. Om hen heen staan nog veel meer tenten. In sommige tenten brandt een lichtje, in andere tenten is het al donker, daar slapen de mensen. De Israëlieten wonen in tenten. Elke dag worden de tenten weer ingepakt en reist het volk verder, almaar verder. Waarheen?
Ze weten het niet eens precies. "De Heere God wijst ons de weg", heeft opa eens tegen Joël gezegd. Opa kan altijd zo mooi vertellen vindt Joël. Eens vertelde opa hoe het was toen het volk Israël nog in Egypte woonde. Ze moesten werken, keihard werken en als het niet snel genoeg ging, werden ze geslagen. Joël had zijn handen tot vuisten gebald. "Als ik erbij was geweest", had hij gezegd, "dan had ik teruggeslagen. Ik zou die soldaten wel een lesje hebben geleerd." Opa had toen zijn hand op Joëls' vuisten gelegd en Joël zou nooit vergeten wat opa met trillende stem had gezegd. "Nee Joël", had opa gezegd, "niet onze eigen handen konden ons bevrijden van Farao. Het was Gods sterke hand die ons bevrijdde, zul je dat nooit vergeten?" Joël had alleen maar stil geknikt.
Dat was alweer een jaar geleden. Joël had in die tijd nog veel meer gehoord over tien plagen in Egypte en over de Rode zee die zomaar aan de kant ging om het volk Israël door te laten gaan en waar later de Egyptenaren in verdronken waren. "Opa, waarom lopen die mannen met die mooie kist met stokken altijd vooraan?" "Dat zijn priesters Joël, zij mogen de ark van de Heere God dragen." "Maar opa, wat zit er dan in de ark?" Opa gaat er eens goed voor zitten, hij strijkt met zijn handen door zijn grijze baard. "De ark", zegt opa, "is van binnen en van buiten van goud. De Heere God heeft precies verteld hoe de ark gemaakt moest worden. En in de ark zijn de tien geboden die de Heere God aan ons heeft gegeven. En wat is het eerste gebod Joël?" Joël zit meteen rechtop en met eerbiedige stem zegt hij: "Toen sprak God al deze woorden, zeggende: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben."
"Goed zo Joël", zegt opa, "en weet je ook wat deze woorden betekenen?" Joël knikt: "de Heere is onze God en Hij heeft ons bevrijd uit Egypte, we mogen niet buigen voor een andere god." Opa knikt. "Maar opa", vraagt Joël, "wie zijn dan die andere goden en waarom zouden we daarvoor buigen?" Opa zucht eens diep en kijkt een poosje nadenkend voor zicht uit. "Ja", zegt opa, "ik denk dat je oud genoeg bent om dit verhaal te horen."
"Toen we nog niet zolang in de woestijn waren", begint opa, "ging Mozes de berg op om van de Heere God de tien geboden te krijgen. Mozes bleef lang weg en wij begonnen te mopperen. We gingen naar Aäron en vroegen hem om een god te maken die we konden zien. Iedereen gaf gouden en zilveren sieraden en Aäron maakte een gouden kalf. Toen hebben we iets vreselijks gedaan. We riepen; dit is onze god die ons bevrijd heeft uit Egypte en we bogen voor het kalf van goud." Joël kijkt verschrikt. "Maar opa", vraagt Joël, "het heeft toch helemaal geen zin om voor een beeld te buigen, een beeld kan toch niets doen?" Opa schudt zijn hoofd. "Nee", zegt hij, "een beeld kan niets doen. Maar weet je nog dat ik verteld heb van die staf van Aäron die de Heere God in een slang veranderde?" Joël knikt, dat weet hij nog goed, "dat was een wonder van de Heere God hè opa?" "Ja", zegt opa, "maar niet alleen de staf van Aäron veranderde in een slang, ook de tovenaars van Farao toverden slangen tevoorschijn. Dat was geen wonder van de Heere God. De Egyptenaren en ook veel andere volken geloven in hun eigen goden en vaak maken ze beelden van die goden. De beelden zelf kunnen niets doen maar wel de goden voor wie de mensen buigen." Joël, kijkt opa verbaasd aan, "maar er is toch maar één God?" "Ja", zegt opa, "er is maar één God die de hemel en aarde gemaakt heeft, er is maar één God die alles kan en er is maar één God die van ons houdt. Toch zijn er ook onzichtbare machten die wij niet zien. De Heere God heeft tegen ons gezegd dat we daar niet voor mogen buigen en dat we niet mogen toveren. De Heere God heeft ons geroepen om Zijn Eigen volk te zijn. Hij wil dat we voor Hem buigen en naar Hem luisteren. Dan zal het goed met ons gaan. Die andere goden kunnen ons alleen maar heel ongelukkig maken."
Weer is het stil. Opa en Joël zijn diep in gedachten. De zon gaat al onder als opa en Joël zachtjes de tent ingaan. En niemand anders dan de God van Israël ziet hoe Joël eerbiedig op zijn knieën gaat, zijn handen vouwt en de Heere God vraagt om hem te leren om te leven zoals de Heere God dat graag wil.
