Het waargebeurde verhaal van Johanna-Ruth Dobschiner
Het is nacht in de grote stad Berlijn. In de meeste huizen is het donker, hier en daar brandt nog een klein lichtje. Het is stil buiten, heel stil en toch is het geen gewone stilte. Het is een bange stilte alsof iedereen ergens op wacht.......
Heel in de verte klinkt gerommel alsof er onweer op komst is. Het gerommel wordt luider. Nee, het is geen onweer. Het is het geluid van stampende laarzen en van schreeuwende stemmen. Ze moedigen elkaar aan; "kom", zeggen ze, "kom, we zullen ze krijgen vannacht." Hun gezichten staan strak, hun ogen vol haat en hun lach is vals.
In hun huizen vragen de Joodse mensen zich angstig af wat er zal gaan gebeuren. Ze zijn niet verbaasd om wat ze zien en horen. Ze hebben het aan zien komen; de groeiende haat tegen hen, een scheldpartij hier en daar en soms werd er zelfs iemand in elkaar geslagen. Toch lijkt alles anders in deze donkere nacht. Het is niet een klein groepje dat daar buiten loopt, het lijkt wel een leger. De kinderen kruipen dicht tegen hun moeders aan. De vaders controleren nog eens of alle deuren goed op slot zitten. En dan ineens lijkt het wel oorlog. Ramen worden ingegooid, winkels worden leeggehaald, mensen worden hun huis uit gesleurd en midden op straat geslagen en geschopt. Overal klinkt geschreeuw en gescheld. Ergens haalt een moeder haar huilende kindje uit zijn wiegje. Het kleintje begrijpt nog niets van de wreedheid buiten. Hij weet niet dat ze daar buiten ook hem al haten. Hij hoort bij het volk dat God lang geleden uitkoos om Zijn eigen volk te zijn. Ja, juist omdat hij hoort bij dat volk haten ze hem.
De volgende dag liggen de straten vol scherven, het glinstert als kristal in het vroege ochtendlicht. Deze nacht zal iedereen zich herinneren als de Kristalnacht. In heel Duitsland hebben woedende nazi's die nacht hun landgenoten wreed behandeld. En hoewel dit alles vreselijk is, is het nog maar het begin van een moeilijke en heel donkere tijd....
In Amsterdam woont de familie Dobschiner. Ze hebben in de krant gelezen wat er die nacht in Duitsland gebeurd is. Ze zijn geschrokken. Nog maar een paar jaar geleden woonden ze zelf in Duitsland. Ze zijn gevlucht toen Hitler de baas van het land werd en steeds maar schreeuwde dat hij alle Joden haatte. Ze hebben een huis gevonden aan een van de Amsterdamse grachten. En daar wonen ze dan; vader Dobschiner, moeder Dobschiner, Werner, Manfred en het jongste zusje, Johanna-Ruth die door iedereen Hansje genoemd wordt. En over deze Hansje gaat dit verhaal. Het is geen vrolijk verhaal, maar het is wel echt gebeurd. Het is het verhaal van Hansje het Joodse meisje die een Schat ontdekte die haar leven voor altijd zou veranderen.
Het is 10 mei 1940 als Hansje in de vroege ochtend Duitse parachutes naar beneden ziet komen. De oorlog is begonnen. Ook in Nederland is het nu niet meer veilig voor Joodse mensen. Eerst lijkt er weinig te veranderen maar al snel wordt duidelijk dat de Duitsers een gemeen plan hebben uitgedacht om het de Joodse mensen steeds moeilijker te maken. Er komen steeds meer plekken waar zij niet meer mogen komen; winkels, parken, zwembaden, bussen, trams en scholen. Alle Joodse mensen moeten verplicht een grote gele ster op hun kleren dragen met daarop het woord 'Jood'. Zo kan iedereen hen herkennen en wordt het steeds moeilijker om te vluchten.
Ook voor de familie Dobschiner wordt het leven steeds moeilijker. Het valt niet mee om elke dag maar weer bang te zijn voor wat er de volgende dag zal gaan gebeuren. Op een dag gebeurt er iets vreselijks. Terwijl Manfred en Werner in de stad aan het wandelen zijn, wordt er in de stad een grote razzia gehouden. Honderden Joodse mannen en jongens worden opgepakt en gevangen genomen. Ook Werner en Manfred worden meegenomen en naar een kamp gebracht waar het leven zo zwaar is dat ze al snel zullen sterven. De familie is erg verdrietig. "Ach mijn zoons, mijn zoons, mijn arme zoons, ach Werner, Manfred, ach mijn arme, arme zoons" roept vader verdrietig uit.
Er worden steeds meer mensen opgepakt. Het gebeurt zelfs wel dat vaders en moeders worden opgepakt en kinderen alleen achterblijven. Een paar van die kinderen komen wonen in het huis van de familie Dobschiner. Hansje, die eigenlijk dolgraag verpleegster wil worden, gaat werken in een crèche. Ze houdt heel veel van deze kleine Joodse kindertjes en ook van de kinderen die bij hen thuis zijn komen wonen. Niet lang daarna wordt Hansje ziek. Ze heeft een besmettelijke ziekte. Niemand mag het huis nog in of uit. Wat anders erg akelig zou zijn is nu fijn, want zolang Hansje ziek is, kunnen ze niet worden opgepakt. Zes weken lang is de familie veilig voor de Duitse soldaten. Het is in deze weken dat er in het hart van Hansje iets heel bijzonders gebeurt. Ze gaat nadenken over haar familie en over het Joodse geloof. Als God werkelijk bestaat, denkt Hansje, en als Hij ons echt hoort en ziet, dan moet Hij een geweldige Hulp zijn in deze moeilijke dagen, maar waarom lijkt het dan of Hij zover weg is? Hansje denkt en denkt, maar komt er niet uit ... totdat de Heere God Zelf een stukje van Zichzelf laat zien. Ineens zijn er drie woorden in Hansjes gedachten, drie woorden die haar blij en dankbaar maken; "God met ons". Hansje weet het ineens heel zeker, God is er en Hij zal er altijd zijn. Waar deze woorden zomaar ineens vandaan komen, Hansje weet het niet zo goed, maar ééen ding weet ze wel, ze mag dit niet voor zichzelf houden. Ze pakt haar mooiste zakdoeken uit haar kast en heel netjes borduurt ze deze woorden erop. Het worden cadeautjes voor haar vader en moeder en voor de kinderen die bij hen in huis wonen.
Zouden Hansjes ouders later, als hun leven nog moeilijker wordt, met deze zakdoeken hun tranen drogen en door deze wonderlijke woorden op dezelfde manier getroost worden als Hansje? Dat weten we niet, want niet lang daarna wordt er hard op de deuren gebonsd en iedereen weet wat dat betekent .... Duitse soldaten staan voor de deur. "Meekomen", luidt hun korte bevel. Hansje ligt in haar bed te trillen van angst. Ze blijft liggen en hoewel de soldaten het hele huis doorlopen, gaan ze wonderlijk genoeg aan Hansjes deur voorbij. Het duurt niet lang of het is weer stil in huis, heel stil en een heel verdrietige Hansje blijft achter. Ze moet alleen verder en wat is dat moeilijk. Ze moet gaan wonen in een ander gezin, maar ook daar is het niet lang veilig. Hansje wordt opgepakt, maar weer wordt ze op een bijzondere manier gered. Ze wordt verpleegster in het ziekenhuis, iets wat ze altijd al heeft gewild. Jammer genoeg kan ze ook hier niet blijven. Ze gaat van de ene plaats naar de andere plaats totdat een man haar een vreemde vraag stelt; "zou je graag overleven? Ik heb een adres..."
Een kans om te overleven, een adres, dat betekent onderduiken, onzichtbaar worden, een andere naam krijgen en voor heel lang verstopt zijn. "Ja", zegt Hansje, ze wil graag leven. Een vriendelijke meneer neemt haar mee op een lange reis helemaal naar het noorden van het land. Hij brengt haar naar zijn eigen huis. Het huis waar Hansje voor het eerst na een hele lange tijd weer veilig is. Het is ook het huis waarin Hansje nieuwe dingen ontdekt. De meneer, die haar zo vriendelijk heeft geholpen, is een dominee. Tussen de vele rijen boeken vindt Hansje een kinderbijbel met mooie gekleurde platen. Ze begint te lezen en al lezend gaat ze steeds meer van de Heere God begrijpen. Het lezen van de Bijbel wordt belangrijker dan haar dagelijks eten. Ze kent de Bijbelverhalen, want vanaf klein meisje, hebben haar vader en moeder haar uit de Bijbel verteld. Toch is er een groot gedeelte van de Bijbel dat Hansje nog nooit heeft gelezen. Het Nieuwe Testament is voor Hansje helemaal nieuw. Al lezend krijgt ze steeds meer vragen. Waarom had ze vroeger nooit van al deze mensen gehoord, van Jozef en Maria en al die anderen? Hoe was het mogelijk dat alles wat ze in het Nieuwe Testament las, zo precies paste bij wat ze als klein meisje al had geleerd? Waarom hadden deze christenen een Bijbel op hun boekenplank staan die over haar volk ging? Toch was er één ding duidelijk. Er was een Persoon die boven alle anderen uitstak. De een noemde Hem Heer, de ander Profeet, las Hansje, weer een ander noemde Hem Meester en een ander de Messias. Ze hield van deze Profeet van Wie zij nooit gehoord had. Ze las hoe Hij werd geboren en werd aanbeden door wijzen uit het Oosten, ze las hoe Hij vreemde en nieuwe dingen leerde. Hij vertelde dat Hij de Weg en de Waarheid en het Leven is en dat niemand tot de Vader kan komen dan door Hem. Hoe kon Hij zulke bijzondere dingen zeggen, vroeg Hansje zich af. Maar als Hij werkelijk de lang beloofde Messias was, dan had Hij alle recht om zo te spreken. Als dat zo was ... maar nee, dacht ze, zo kon het niet zijn. Als Hij het werkelijk was, waarom was het dan zo'n bende in de wereld? Hij was een bijzonder lemand, een verborgen lemand, over Wie Hansje nooit had gehoord. Wie Hij ook was, Hansje hield van Hem. En zo leest Hansje verder, weken, maanden gaan voorbij. Het is of ze meegaat met deze Man Die Jezus genoemd wordt. Zijn leven wordt een deel van haar leven. Ze laat geen kans voorbij gaan om meer over Hem te leren. Hij wordt haar grote Held. "Waarom kent mijn volk Hem niet en waarom leerde ik nooit over Hem" vraagt Hansje zichzelf maar steeds af.
Dan leest ze hoe Hij verschrikkelijk wordt behandeld, geschopt, geslagen en verraden. Voor zich ziet ze de gezichten van haar familie en haar volk, hoe ook zij mishandeld worden. "Maar waarom Hij?", vraagt ze zich af. Hoe kon haar eigen volk Hem naar de Romeinse rechtbank brengen, zodat Hij door Pilatus gedood kon worden? Hoe konden ze..., Hansje wordt bood. En als ze leest hoe deze Man, van Wie ze zoveel is gaan houden naar een heuvel gebracht wordt om aan het kruis gehangen te worden dan wordt Hansje zo verdrietig. Het is alsof Hansje er zelf bij staat, ze voelt het verdriet en de pijn om deze Man die daar onschuldig aan het kruis wordt gehangen. Toch is Hansje ergens heel zeker van; met dit alles wil Hij laten zien dat Hij zal overwinnen. Als niemand het verwacht zal Hij van het kruis afkomen en gekroond worden als Messias van Israël en de wereld.
Maar dan staan daar ineens die woorden; "Het is volbracht" en Hij stierf. "Ach almachtige God", bidt Hansje, "waarom?" Voor Hansje is het alsof haar hart gebroken wordt. Ze voelt zich ziek van verdriet. Ze heeft lemand verloren van wie ze zoveel hield en op Wie ze al haar hoop had gesteld. Hij hoorde bij haar volk, Hij was familie van haar, ja Hij was veel meer dan iemand ooit voor haar geweest was. Al haar hoop is weg. Zeven dagen lang is ze in rouw, ze eet niet meer dan beslist nodig is.
Na tien dagen begint Hansje weer met lezen. Ze wil weten hoe het allemaal verder ging. En dan leest Hansje voor het eerst in haar leven over het grote wonder van Pasen. Hoe de Heere Jezus is opgestaan uit de dood. Haar verdriet verandert in vreugde. Ze bidt of de Heere God weer zo iemand wil sturen als deze Jezus die wonderen kan doen en hen zal verlossen van alle ellende.
Hansje heeft het begrepen en toch nog niet helemaal, ze heeft de Schat gevonden maar de Heere God zal haar in de komende tijd helpen om deze Schat helemaal te kunnen begrijpen. Voor dat gebeurt, moet Hansje nog meer verdriet meemaken. Ze kan niet langer blijven wonen in het gezellige domineeshuis. Het is te gevaarlijk. Ze moet vluchten, alweer vluchten. Ze komt op een zolder samen met een andere onderduiker die haar niet erg vriendelijk behandelt. Toch is het op deze zolder dat Hansje verder gaat met schatgraven en de allergrootste ontdekking van haar leven zal doen.
Meer en meer gaan haar gedachten uit naar de Heere God. Nu zij over de Heere Jezus heeft gelezen is het of ze Hem beter begrijpt. Ze blijft zoeken, omdat haar hemelse Vader naar haar op zoek is. En dan gebeurt het. Hansje is aan het aardappelen schillen als ineens de waarheid tot haar doordringt, alsof alle puzzelstukjes van de afgelopen tijd op hun plaats vallen. Hij leeft, weet Hansje nu ineens heel zeker "Hij leeft! Jezus leeft! Rabboeni, Meester, mijn Meester en mijn God", is alles wat Hansje kan denken. Ze voelt zich zo veilig en gelukkig als ze zich nog nooit gevoeld heeft. Er is weer hoop voor de wereld, hoop door deze onbekende Verlosser Jezus Christus. Ze laat haar aardappels in de steek en knielt in een hoekje van de zolder, "Rabboeni Jesjoea HaMashiach, Meester Jezus Christus" fluistert ze. God is Zijn volk niet vergeten, Hij is Hansje niet vergeten. Ze hoort erbij, ze hoort voor altijd bij de God van Abraham, Izaäk en Jacob door de dood en opstanding van de Heere Jezus. Al haar angst is verdwenen. Ze geeft haar hele leven aan Hem, Die nu ook haar Messias is.
Er gaan nog heel veel moeilijke weken voorbij, voordat er aan die lange oorlog eindelijk een einde komt. Maar na die oorlog heeft Hansje nog maar een wens. De Heere Jezus heeft gezegd: "Ik heb je een voorbeeld gegeven, zodat ook jij zal doen wat Ik voor jou gedaan heb." En dat is wat Hansje het liefste wil, gehoorzaam zijn aan de God van Abraham, Izaäk en Jacob en zichzelf geven om anderen te helpen.
Hansje heeft veel verloren, haar hele familie. Wij mogen nooit vergeten hoe het Joodse volk heeft geleden. Hun verdriet en ellende is te groot voor ons om helemaal te begrijpen. Alleen de God van Israël, de God van Hansje heeft al die tranen gezien. Hij kent hun pijn en hun verdriet omdat Hij die Zelf heeft gedragen. Nog steeds klopt de Heere God aan bij het hart van Joodse mensen en nog steeds vinden zij, door het lezen van de Bijbel, de Messias van Israël. En nog steeds mogen wij bidden dat nog velen, zoals Hansje, de Heere Jezus mogen leren kennen.