Ga direct naar


Een kerstcadeau voor meneer Meijer

“Richard, ga je mee naar het trapveldje?” Maarten heeft zijn nieuwe bal al onder zijn arm en kijkt Richard afwachtend aan. Natuurlijk gaat Richard mee, hij is gek op voetballen en met die mooie nieuwe bal van Maarten gaat het helemaal geweldig. Ze zijn nog maar net aan het voetballen als Wouter en Henco er ook aan komen. Wouter is best een aardige jongen, maar Henco wil altijd de baas spelen. Maarten en Richard vinden hem een vervelend joch. “Wij doen ook mee”, roept Henco hard. “Ik en Wouter tegen jullie twee.” Richard en Maarten kijken elkaar even aan, daar hebben ze nu juist geen zin in. “Nou, waar wachten jullie op”, roept Henco, “dit veld is van iedereen hoor”, en hij grist de bal uit Maartens handen. Met een harde trap, schopt hij de bal in een keer in het dichtstbijzijnde doel. “Eén – nul”, schreeuwt hij opgewonden. “Dat is niet eerlijk”, roept Maarten, “we waren nog niet eens begonnen.” “Nou en”, roept Henco met een treiterlach, “moeten jullie maar beter opletten.” Maarten zucht en Richard haalt zijn schouders op. Dan rennen ze allebei het veld op. Het wordt een spannende wedstrijd. Beide teams doen hun uiterste best maar het lukt niemand om een doelpunt te maken. “Au”, schreeuwt Richard ineens en terwijl de tranen in zijn ogen schieten, wrijft hij over een pijnlijke enkel. Henco kijkt hem aan met een vals lachje. “Sorry hoor”, roept hij, “ik botste per ongeluk tegen je aan.” “Gaat het”, vraagt Maarten. “Ja, doorspelen maar”, zegt Richard flink, “we laten ze niet winnen hoor.” “Tuurlijk niet”, zegt Maarten, terwijl hij nog net een bal tegen kan houden. Richard staat ook al weer op zijn plek. Met een handige beweging weet Maarten de bal naar Richard te spelen. In een flits ziet Richard dat het veld voor hem vrij is. Nu moet hij snel zijn want Henco heeft het ook al gezien. Zo hard hij kan rent hij met de bal naar het doel.

“Kom op Riesje”, klinkt ineens een vriendelijke stem vanaf de kant. Richard glundert ervan. Riesje, er is er maar een die hem zo noemt. Meneer Meijer, zijn vriendelijke buurman. Meneer Meijer is al oud en stiekem heeft Richard wel eens gedacht dat meneer Meijer wel een beetje op een opa lijkt. En opa’s mogen best Riesje zeggen, vindt Richard. Nog sneller rent Richard maar Henco is nog sneller, nog even en Henco zal hem inhalen en dan zijn z’n kansen verkeken. Het is nu of helemaal niet. Met een harde trap schopt Richard de bal in de richting van het doel. “Goal”, brult Maarten in zijn oor terwijl hij Richard vrolijk een stevige klap op zijn schouders geeft. “Goedzo Riesje”, klinkt een rustige stem vanaf de zijkant. Richard kijkt in het vriendelijk lachende gezicht van zijn buurman. Nog een vriendelijk knikje en meneer Meijer draait zich om. Richard vergeet heel even de spannende wedstrijd. Hij kijkt naar de langzame voetstappen van meneer Meijer, naar zijn donkere pak en zwarte hoed. Meneer Meijer is Joods heeft vader gezegd, daarom draagt hij altijd een hoed of een keppeltje. Zijn rug is een beetje gebogen. Er prikt iets achter Richards ogen. Uitleggen kan hij het niet maar zomaar ineens voelt hij iets van medelijden met die man die daar zo eenzaam wegloopt.

“Richard kom je nog”, Maarten geeft zijn vriend een ongeduldige por in zijn zij, “de wedstrijd is nog niet afgelopen.” Richard knikt maar eens maar dan rent hij al weer enthousiast achter de bal aan. Het is al laat als vier jongens die middag het trapveldje aflopen. De stand is 1 – 1 gebleven. Richard schrikt als hij op zijn horloge ziet dat het al half zes is. Zijn moeder heeft nog zo gezegd dat hij om half zes binnen moest zijn. “Tot morgen”, roept hij voor hij het op een lopen zet.

Thuis staat het eten al op tafel. Oei, vader kijkt wel erg streng. “Waar bleef je toch”, moppert moeder, “papa heeft al een paar keer op de straat gekeken of je kwam.” “Morgen ben je op tijd thuis”, zegt vader streng. Richard knikt alleen maar. Hij kijkt van zijn bemodderde schoenen naar zijn vuile handen. Moeder lacht gelukkig al weer een beetje. “Je hebt zeker weer gevoetbald”, zegt ze, “ga nu eerst je handen maar eens wassen en zet die vieze schoenen maar op de mat.” Even later staat Richard in de keuken; ha heerlijk dat frisse water op zijn handen. Weet je wat, hij zal zijn hoofd ook even onder de kraan doen, hij is zo warm geworden. “Ries”, klinkt het ineens vanuit de kamer, “Ries er wordt gebeld, ga jij eens kijken wie er is.” Met een handdoek om zijn verwarde haren loopt Richard naar de deur. Met een zwaai doet hij de deur open maar dat is vreemd, er staat helemaal niemand. Richard wil de deur al weer dichtdoen als hij ineens een plastic tas aan de buitenkant van de deur ziet hangen. Nieuwsgierig kijkt Richard in de tas. Er zit een groot cadeau in verpakt in kerstpapier. “Voor Riesje”, staat op een kleurig kaartje. Richard krijgt het er warm van. Een cadeau voor hem van meneer Meijer. Ja het kan niet missen want niemand anders noemt hem zo. “Ries, waar blijf je?” Vader komt de gang al inlopen. “Een cadeau”, zegt Richard nog steeds met een verbaasde stem, “voor mij.” In de kamer pakt Richard zijn cadeau uit. Vader, moeder en zijn zusje Tineke kijken nieuwsgierig mee. “Ooh een bal”, roept Richard, “een echte voetbal. Het is er net zo een als die van Maarten, alleen heeft Maarten groene vakjes in plaats van zwarte”, wijst hij.

“Je mag meneer Meijer wel heel hartelijk bedanken”, zegt vader als ze even later aan het eten zijn. Richard knikt, ja natuurlijk zal hij meneer Meijer bedanken, maar hoe? In gedachten ziet hij meneer Meijer weer lopen, met welk cadeau zou hij meneer Meijer nou echt blij kunnen maken?

Een paar dagen zijn voorbij gegaan. Het is de zondag voor kerst. Richard is samen met Tineke naar de zondagsschool gegaan. De juf heeft net over het kerstfeest verteld. Een paar kinderen mogen een tekst opzeggen en de andere kinderen zullen een paar liederen zingen. De juf had ook nog iets anders bedacht. Ze had een zelfgemaakte kerststal omhoog gehouden. “Jullie mogen ook een kerststal maken”, had de juf gezegd. “Jullie moeten extra je best doen en heel netjes kleuren en knippen want deze kerststal is niet voor jullie zelf. Deze kerststal mag je weggeven en je mag zelf bedenken aan wie.” Alle kinderen hadden geknikt. Ze vonden het een goed idee. “Ik geef hem aan mijn oma want die is ziek”, had iemand geroepen. “En ik aan mijn tante want die heeft een baby”, had iemand anders gezegd. Richard had helemaal niets gezegd maar ineens had hij het geweten. Zijn kerststal was voor meneer Meijer. Meneer Meijer moest toch ook weten dat de Heere Jezus was geboren. Snel was Richard aan de slag gegaan. Zijn kerststal moest de mooiste worden van allemaal. Eerst had hij de schapen gekleurd en het strooien dak van de stal, toen waren de wijzen en de herders aan de beurt geweest. En nu kwam het belangrijkste aan de beurt; Jozef en Maria en de Heere Jezus. Hoe zouden Jozef en Maria er uit hebben gezien? Nadenkend kijkt hij voor zich uit. Wacht eens, Jozef en Maria woonden in Israël, ze waren dus Joods. Meneer Meijer is ook Joods. Richard krijgt het er warm van, in gedachten ziet hij het gezicht van meneer Meijer; zijn vriendelijk ogen, zijn grijze baard, zijn keppeltje en de krullen langs zijn oren. Nu weet hij hoe hij Jozef zal kleuren. Tjonge wat schiet hij al lekker op. Alleen nog de kribbe met de Heere Jezus. Maar dan plotseling stopt Richard met kleuren. Het puntje van zijn potlood verdwijnt in zijn mond. Het is of Richard ineens een wonderlijk geheim ontdekt. Dat kleine Kindje in de kribbe, de Heere Jezus, was dus ook Joods net als meneer Meijer. Maar.....had zijn vader hem niet eens uitgelegd dat meneer Meijer geen kerstfeest vierde omdat hij niet in de Heere Jezus geloofde? Maar dan,...dan moet meneer Meijer deze kerststal zeker krijgen. Meneer Meijer moet toch weten over dat kleine Joodse Kindje dat geboren werd in een stal. Meneer Meijer moet toch weten dat dit kleine Kindje de Zoon van de Heere God is en kwam om de mensen te redden van alle verkeerde dingen. Stel je voor dat meneer Meijer zou gaan begrijpen hoeveel dat kleine Joodse Jongetje van de mensen houdt, dan zou meneer Meijer toch nog kerstfeest kunnen vieren. Wat voelt Richard zich blij vanbinnen. Ja, dit is toch echt wel het allermooiste kerstcadeau dat hij aan meneer Meijer kan geven. 

“Jongens en meisjes, we gaan opruimen”, klinkt ineens de vriendelijke stem van de juf. Richard kijkt verschrikt op, hij was ook zo ingespannen bezig maar gelukkig is hij net klaar. “Jullie hebben hard gewerkt”, zegt de juf, “ik denk dat jullie allemaal iemand blij zullen maken met jullie kerststal.” “Ik geef mijn kerststal aan meneer Meijer”, roept Richard ineens. Hij schrikt van zichzelf, wat heeft hij hard geroepen en wat kijkt de juf ineens vreemd naar hem. “Richard”, zegt ze, “blijf jij zo meteen maar even zitten.” Richard kijkt verschrikt. Zal de juf boos zijn omdat hij zo hard heeft geroepen?

Even later zitten Richard en de juf samen in het zondagsschoollokaaltje. “Richard”, zegt de juf vriendelijk, “ik denk dat jij je kerststalletje beter aan iemand anders kan geven. Meneer Meijer is Joods.” Richard knikt, alsof hij dat niet weet. “En Joodse mensen”, gaat de juf verder, “geloven niet in de Heere Jezus. Christenen die zeiden dat ze in de Heere Jezus geloofden hebben vaak heel lelijk gedaan tegen Joodse mensen. Veel Joodse mensen willen daarom de Heere Jezus niet kennen, het is heel goed dat je meneer Meijer een cadeau wilt geven maar je kunt hem beter iets anders geven, begrijp je dat?” Richard knikt maar eens, eigenlijk begrijpt hij het helemaal niet...

Een verdrietige Richard loopt even later naar huis. Zijn mooie plannetje, er is niets meer van over. Natuurlijk zal de juf wel gelijk hebben, maar wat moet hij dan geven? Hij wil zo graag iets geven waar meneer Meijer echt blij van wordt...

Die avond praten Richard en vader een hele tijd met elkaar. Allebei kijken ze heel ernstig. Richard heeft verteld wat de juf van de zondagsschool heeft gezegd. Vader had geknikt en was toen een hele poos stil geweest. “Weet je”, had vader toen gezegd, “jouw juf heeft gelijk en toch ook weer helemaal niet.” Richard had even moeten glimlachen, dat klonk zo vreemd. Heel ernstig had vaders stem geklonken toen hij vertelde over wat er vroeger gebeurd was met Joodse mensen. Mensen die zichzelf christenen noemden hadden vreselijke dingen bij Joodse mensen gedaan. Soms waren ze zelfs doodgemaakt en ze hadden gedaan of de Heere Jezus dat allemaal maar goed vond. Veel Joodse mensen zijn toen bang geworden voor christenen. Richard had geknikt, dat kon hij wel een beetje begrijpen. “Zal ik dan toch maar een ander cadeau kopen”, had hij aarzelend gezegd. Vader had zijn hoofd geschud en het was alsof in vaders ogen een paar tranen glansden. “Nee”, had vader gezegd, “je moet meneer Meijer juist wél dit mooie cadeau geven. Meneer Meijer moet juist weten dat het helemaal niet waar is wat die mensen vroeger allemaal hebben gezegd. Meneer Meijer moet juist weten dat dat kleine Joodse Kindje in de kribbe ook zijn Redder wil zijn.” Toen waren vader en Richard allebei op hun knieën gegaan en ze hadden samen heel eerbiedig gebeden of de Heere God de kerststal van Richard wilde gebruiken om meneer Meijer de weg te wijzen naar de Heere Jezus.

Richard was zachtjes de trap afgelopen, in de gang had hij zijn jas aangedaan en toen had hij bij meneer Meijer aangebeld. Meneer Meijer had de deur open gedaan en met zijn vriendelijke stem had hij gezegd dat Richard maar gauw even bij de verwarming moest komen zitten. En daar hadden ze bij elkaar gezeten, de oude meneer Meijer en Richard. Richard had de kerststal op de tafel gezet en toen was hij zomaar aan het vertellen gegaan. Over de Zoon van God Die de hemel verliet om als een klein Joodse jongetje geboren te worden, over Jozef en Maria, de herders en de wijzen. Alles had Richard verteld, ook hoe het verder was gegaan. Hoe dat kleine Joodse jongetje een Man was geworden. Hoe Hij stierf aan het kruis om alle verkeerde dingen van de mensen te kunnen vergeven. En meneer Meijer? Hij had geluisterd, zijn vriendelijke ogen hadden naar de kerststal gekeken. “Dank je wel hoor Riesje”, had hij gezegd, voordat Richard naar huis ging, “je hebt me een prachtig cadeau gegeven.”

Een paar dagen waren voorbij gegaan. Het was Kerstfeest geworden. In het huis van Richard vertelde vader het Kerstverhaal. Richard zat stil te luisteren. Hij had het al zo vaak gehoord en toch was het deze keer anders dan anders. Kwam het doordat hij steeds maar moest denken aan zijn eigen kerststal die nu bij meneer Meijer stond...?

En bij meneer Meijer? Daar stond in een stil hoekje van de kamer een kerststal en die simpele kerststal vertelde een eeuwenoud en wonderlijk verhaal... 




Snelkoppelingen naar websites