Een verhaal over het eerste Pesach
Als hij wat beter op de tijd had gelet, was Joram al lang thuis geweest. Het begint warempel al te schemeren. Snel loopt hij langs de smalle paadjes tussen de slavenhutjes door. In de meeste hutjes zijn de olielampen al aangestoken. Hij hoort vrouwen zachtjes praten terwijl ze een vuurtje maken. Even later ruikt het in heel Gosen naar gebakken vlees. Mmm, Joram snuift eens diep, het water loopt hem in de mond. De meeste kinderen zijn al naar binnen. Een paar grote jongens brengen nog snel een paar geiten in de stal. Op hun gezichten ziet hij een vreemde spanning. Wat een bijzondere avond, denkt Joram, het lijkt wel of iedereen ergens op wacht. Joram krijgt een raar gevoel in zijn buik, ineens zet hij het op een hollen.
Hij is blij als hij hun eigen hutje ziet. Vader staat nog buiten bij de deur, hij heeft een schaal in zijn hand met bloed van het schaap dat hij zojuist geslacht heeft. Hij smeert het bloed aan de bovenkant en de zijkanten van de deuropening. “Papa, wat bent u aan het doen?” Vader stopt met smeren en kijkt Joram aan. Wat kijkt ook vader vreemd, maar voor Joram verder kan vragen smeert vader al weer verder. “Kijk goed wat ik nu doe Joram”, zegt vader, “en vergeet het je leven lang niet meer. Je zult het later weer aan je eigen kinderen moeten vertellen en zij weer aan hun kinderen. Vannacht zal de Heere God het volk Egypte nog één keer straffen.” Joram knikt, er zijn al negen straffen geweest. Mozes is naar Farao gegaan. “Dit zegt de Heere God”, had Mozes gezegd, “laat Mijn volk gaan!” Farao wilde niet luisteren, hij wilde dat Israël een slavenvolk bleef. Negen keer al had de Heere God Egypte gestraft en negen keer was het hart van Farao te hard om te luisteren naar de God van Israël. En nu zou er dus nog een laatste straf komen. “Wat ís de laatste straf papa”, vraagt Joram. “De laatste straf Joram, is de ergste van allemaal. In heel Egypteland zal in elk huis degene die het eerst geboren is sterven.”
Joram is even stil dan kijken zijn grote bruine ogen bang en verschrikt naar zijn vader. Is deze avond daarom zo vreemd en zo anders dan andere avonden? Omdat iedereen bang is voor die afschuwelijke straf? Joram klemt zich aan zijn vader vast. “Maar papa”, snikt hij, “ik ben toch ook het eerst geboren, ik ben toch uw oudste?” Papa legt zijn sterke handen op Jorams smalle schouders. Joram kijkt zijn vader aan terwijl de tranen nog steeds over zijn wangen rollen. “Ja jongen”, zegt vader, “jij bent mijn oudste zoon, maar jij zult niet sterven, kijk maar naar onze deur. Overal waar bloed aan de deur is gesmeerd daar zal die vreselijke straf voorbij gaan. Ik heb ons lam geslacht om jou te redden.” Weer is Joram stil. Verwonderd kijkt hij naar de deur, het rode bloed licht fel op in de laatste zonnestralen die laten weten dat het heel snel nacht zal zijn. Vader duwt hem zachtjes naar binnen. “Hier is het veilig”, zegt hij zachtjes. In het kleine hutje staat het eten al op tafel. Joram wil zijn schoenen al uit doen, maar zijn vader schudt zijn hoofd. “Nee Joram, vandaag houden we al onze kleren aan, want nog maar heel even en dan gaan we op reis.” Vader heeft zelfs zijn wandelstaf in zijn hand en in een hoekje van de kamer staan een paar ingepakte tassen.
Op de tafel staat een schaal met vlees, een mandje met brood en op een schoteltje liggen kruiden. Vader, moeder, Joram, zijn zusje Sara en de kleine Jacob gaan om de tafel heen staan. Vader bidt voor het eten. Kleine Jacob kijkt verbaasd om zich heen. “Papa”, vraagt hij, “waarom is deze avond zo anders dan alle andere avonden?” Vader begint te vertellen. “Kijk”, zegt hij, “we eten vlees en brood en ook deze kruiden. Proef jij ze maar eens Joram.” Joram stopt wat van de kruiden in zijn mond. Hij trekt een vies gezicht, bah wat bitter, bijna spuugt hij de kruiden uit, maar weer schudt zijn vader zijn hoofd. “Opeten Joram”, zegt hij, “dit is de smaak van vierhonderd jaar als slaven werken voor Farao. Onthoud deze smaak zodat je later aan je kinderen kunt vertellen dat de Heere God ons bevrijd heeft van bittere slavernij.” Joram knikt, deze smaak zal hij inderdaad niet snel vergeten. Het brood smaakt ook al anders dan anders. Moeder heeft het heel snel moeten bakken. Na het eten buigen ze allemaal eerbiedig hun hoofd. Vaders stem trilt een beetje als hij de Heere God dankt voor alle wonderen die Hij in de afgelopen tijd gedaan heeft.
Na het bidden kijkt vader hen allemaal een voor een aan, ze worden er stil van. Zelfs kleine Jacob staat met zijn duim in zijn mond stilletjes te kijken. “Joram”, zegt vader, “jij bent mijn oudste zoon en groot genoeg om te begrijpen wat ik tegen je zeg. Luister goed en vergeet het je leven lang niet meer. Morgen gaan we op reis, we zullen gaan naar het land dat onze God al aan Abraham beloofde. We zullen gaan met onze groten en kleinen en de Heere God zal ons de weg wijzen. En als we komen in dat mooie land Joram, en jij een man geworden bent, dan zul je zitten voor je eigen huis en onder je eigen palmboom. Er zullen geen soldaten meer zijn die je slaan met hun zwepen en je zult niet bang hoeven zijn voor Farao. Als je kinderen dan oud genoeg zijn om te luisteren, vertel ze dan over deze dag en over de wonderen die je zelf gezien hebt. Dan zullen ook jouw kinderen weten dat de Heere onze God is en dan zullen ook zij op de Heere God vertrouwen.”
Joram knikt en kijkt eens om zich heen in het kleine slavenhutje. Morgen zal dit hutje hun hutje niet meer zijn. De Heere God zal ze brengen naar een veel betere plaats. Nooit zal zijn vader meer met de zweep geslagen worden. Nooit zal zijn moeder meer huilen omdat het slavenwerk te zwaar is. Nooit zal Sara meer hoeven luisteren naar de bevelen van ruwe soldaten. En Jacob, denkt Joram met een glimlach, kleine Jacob zal nooit een slaaf hoeven zijn. In het zwakke schijnsel van de olielamp op de tafel ziet Joram nog net de donkere vlekken op de deurpost. En ik, denkt Joram, ik mag blijven leven omdat het lam stierf in mijn plaats. Nog maar een paar uur dan, zal de zon weer schijnen over de slavenhutjes in Gosen. De nieuwe dag zal er een zijn om nooit te vergeten. Het grote slavenvolk zal zich verzamelen en bij het geluid van de ramshoorn zal iedereen het weten van het kleinste kind op de arm van zijn moeder tot de oude man met zijn wandelstok; wij zijn geen slaven meer want onze God heeft ons bevrijd! Zelfs Farao op zijn troon zal het horen en weten dat er geen God is Die zo sterk en machtig is.
Een paar uren gaan voorbij. Jorams hart begint steeds sneller te kloppen. Hij schuift een gordijn opzij om naar buiten te kunnen kijken. Ja, daar ziet hij dat het in de verte al licht wordt. Zijn vader komt achter hem staan. Dan horen ze een hard en doordringend geluid. Het geluid van de ramshoorn. Heel even blijft het stil alsof ze het nog niet kunnen geloven. Dan klinkt er overal in alle slavenhutjes in Gosen een luid gejuich, het is het mooiste geluid dat Joram ooit gehoord heeft. Zijn vader tilt hem op alsof hij nog maar een kleine jongen is. En ook vaders stem juicht als hij Joram hoog optilt; “Je bent vrij mijn zoon, je bent vrij!”
